De genealogie van de familienaam Clauwaert door de eeuwen tot op vandaag

Arnoldus, de koster

Pieter Clauwaert had 4 kinderen waar we weet van hebben. Drie ervan, Maria, Joanna en Petrus (de derde) zijn geboren voor de aanvang van de parochieregisters en de geboortedatums zijn geschatte datums.

Enkel de jongste, Arnoldus — Aert in de volkstaal — werd geboren toen de registers reeds bestonden: op 21 mei 1606 te Hekelgem. Hij is echter niet oud geworden. Op 7-9-1632 overleed hij, 26 jaar oud maar met nakomelingen die de naam voortzetten. In die korte tijd kon hij weinig sporen na laten maar dat heeft hij toch gedaan want hij was koster van Hekelgem.

Over de kosters van Hekelgem is weinig geweten en Bert D’Haese, die in de jaren 1960 een reeks artikels over de geschiedenis van Hekelgem geschreven heeft, kent hem alleen van wat Dom Beda Regaus, de laatste abt van Afligem, over hem schrijft in zijn geschiedenis van de abdij. Zelfs dit is niet veel, enkel zijn sterfdatum en het feit dat hij koster was.

Bert D’Haese, die nochthans regelmatig refereert naar de kerkrekeningen, beweert hem enkel als koster te kennen door Beda Regaus. Hij moet toch een paragraafje over het hoofd gezien hebben in de rekening van 1626:

 1624aert

Item ontfa(ng)en van m de greve eertijds coster
van fruijt van het kerckhoff datter int jaer
1625 op gewassen geweest de somme van
ii Rg xii St
 item tgeen van kerckhoven hout Aert clauwaert
ende es den selven toegelaten ten respecte van avondt
ende morghen licht te luyden mits tcleijn
profijt der costerije daerom alhier pro m(emorie)

 

Hier wordt eerst naar de voorganger van Arnoldus verwezen, Machiel de Greve, die het fruit aangerekend krijgt van 1625.

Belangrijker voor ons is dat Arnold hier in 1626 vermeld is als koster en het hout gratis krijgt — als “’t klein profijt van de kosterije”– en dit wordt dan ook zonder bedrag, “pro memorie” ingeschreven.

Wat de vermelding van “het licht te luiden” betreft, dit verwijst naar een gewoonte die tot de jaren vijftig van vorige eeuw doorliep: ’s morgens en ’s avonds werden de klokken geluid om het begin en het einde van de arbeidsdag aan te kondigen.

De volgende rekeningen werden met de vlooienkam nagekeken maar Aert werd niet meer bij naam genoemd, enkel “den coster”. (zie hiervoor het artikel: de inkomsten van een koster).

De taken van een koster lagen enigszins anders dan nu, er werd enkel een mis gelezen op zon- en feestdagen en bij begrafenissen.

Meestal was de koster ook de grafdelver alhoewel we hiervan in Hekelgem nog geen spoor gevonden hebben.

Wel gaf de koster les, in die tijd voornamelijk godsdienstles, rekenen en lezen. Hiervoor werd hij vergoed op heel verschillende wijzen, hij kreeg een toelage van de armenkamer en hij had het recht met Pasen in het dorp eieren rond te halen. Tijdens de oogst mocht hij ook enkele schoven per gezin ophalen. De “niet armen” betaalden 1 stuiver per jaar per kind.

In die tijd werd het onderwijs gegeven in de woonst van de koster. Blijkbaar had Arnold in 1927 nog geen huis en kreeg hij de toelating in de kerk les te geven. Het onderwijs gebeurde in die jaren bijna uitsluitend in de wintermaanden, als de kinderen geen koeien moesten hoeden of op het veld helpen.

Verder komt ook dat “klein profijt” nogmaals ter sprake in de rekening van 1612. Toen werd de koster het gebruik van ” een stuxken landts geheten de schoele” toegezegd, ook pro memorie. Dit wordt later regelmatig herhaald en telkens voor een periode van 2 jaar toegekend.

 

Zie ook: