De genealogie van de familienaam Clauwaert door de eeuwen tot op vandaag
Een bezoek aan Oud-Affligem

Waar en wanneer volgend artikel verscheen is niet meer geweten, hoogst waarschijnlijk in “Eigen Schoon en De Brabander”

Op doortocht van Engeland naar Westfalen, brachten twee door de Revolutie verbannen Franse priesters op 24-25 oktober 1793 een kort bezoek aan Affligem. Het waren kanunnik G. A. Baston en zijn vriend pastoor Deschamps, van Rouen.

Van Abbé Baston weten wij dat hij op 29 november 1741 te Rouen geboren werd, zijn middelbare studies deed bij de Jezuieten en in 1766 te Angers de priesterwijding ontving. Hij werd benoemd tot professor in de theologie te Rouen en later tot kanunnik van de metropolitane kerk aldaar. Verdacht van antirevolutionaire geschriften, moest hij in 1792 Frankrijk verlaten. In 1802, onder het bewind van Napoleon, keerde hij naar zijn land terug en werd er in 1813 bisschop van Séez. Na de val van Napoleon nam hij zijn ontslag. Hij stierf in 1825.

Uit zijn mémoires –pas in 1899 uitgegeven (Paris, A. Picard et Fils) – citeren wij hier in vertaling de passage betreffende zijn bezoek aan Affligem. Niet altijd zo vleiend voor onze voorgangers, vindt u? Misschien, maar het moet geplaatst worden in zijn milieu en zijn tijd – de “eerste stand”, in het ancien régime! – en gelezen worden in de geest waarin het geschreven werd: met een tikje pittige humor. En er zijn er ook die zeggen, dat de schrijver een licht gekleurde kanunnikenbril op had…

* * * * *

Wij beiden, d.w.z. pastoor Deschamps, van Rouen, en ik, zouden de weg Gent-Brussel te voet afleggen. Een gelukkige inval, die ons bovendien nog goedkoper zou uitkomen ook. Het is een reis van 10 mijlen en wij deden er twee dagen over: dit wil zeggen dat wij ons niet overhaastten. Tegen het einde van de eerste dag bereikten wij Aalst, een kleine stad, juist halfweg tussen de beide hoofdsteden van Vlaanderen en Brabant, Aalst is een lief stadje, fijn van lijn en kleur als een miniatuur, en het landschap rondom doet denken aan een Engelse tuin. De lente en de zomer moeten er een bijzondere charme hebben. En zo mooi als de levenloze natuur te Aalst is, zo goed zijn er de mensen. Toen wij er waren verbleven er negentig verbannen Franse priesters, waaronder slechts vijf voor eigen voedsel en onderhoud hoefden in te staan. Niet dat het patriotisme in het hart van deze trouwe Brabanders uitgedoofd was, ver vandaar! Maar dit woord heeft voor hen niet de betekenis die men er in Frankrijk aan hecht: hier was het eenvoudig liefde voor het vaderland, voor de eigen wetten en oude gewoonten, voor de katholieke godsdienst en zijn instellingen. Graag had ik de nacht doorgebracht onder de gastvrije daken van het liefdadige en lieflijke Aalst, maar mijn reisgezel voelde meer voor een nachtverblijf in een rijke benediktijnerabdij, een mijl verder, enigszins links van de steenweg naar Brussel. De inkomsten (de mensa) van deze abdij waren in handen van de kardinaal van Mechelen, maar niettemin hadden de kloosterlingen nog de beschikking over ten minste 400.000 pond rente. Eerlijkheidshalve moet ik echter zeggen, dat ik van deze fabelachtige rijkdom geen ander bewijs heb dan de bewering van de man die ons ontving en die ik wel enigszins verdenk van overdrijven uit ijdelheid.

Al was ons besluit om nachtverblijf te vragen in deze abdij meer door nieuwsgierigheid dan door zuinigheid ingegeven, toch kostte het heel wat aan mijn eigenliefde om het uit te voeren, en waarschijnlijk zou ik er niet toe gekomen zijn, als pastoor Deschamps mij niet beloofd had, zelf als woordvoerder op te treden, als de man dus, die met zijn hoed in zijn hand vraagt of de hond niet bijt.

Daar stonden wij dan voor de ingang. Geen bel, geen klopper; de poort stond wijd open. Wij gingen binnen, liepen door binnenhoven en boomgaarden, keken uit of wij iemand zagen die wij konden aanspreken, maar geen mens! Tenslotte kwamen wij terecht in een heel mooie zaal, die blijkbaar voor iedereen toegankelijk was (1). Wij kuchten, wij riepen halfluid: “Is er iemand?” . Geen antwoord, niemand kwam voor. Het was net of wij beland waren in een van die sprookjeskastelen, waarvan de bewoners onzichtbaar blijven maar waar je toch voorkomend en fijn bediend wordt. Wij dwaalden reeds een halfuur rond binnen de omheining van dit grote complex, (2) toen eindelijk een dienstbode opdaagde (3). Zijn eerste woord was: “Wat verlangt u?” Mijn bedelbroeder wilde juist een mooie volzin ten beste geven, de lof bezingend van de wijze waarop de kloosterlingen alhier de gastvrijheid plegen te beoefenen… maar de man met het lakonieke “wat verlangt u” . onderbrak hem al na het eerste woord: hij had alles begrepen. “Hebt u papieren?”, vroeg hij op zakelijke toon. Hij bedoelde daarmee enkele getuigschriften of andere stukken ten bewijze dat wij geen beëdigde priesters waren of verklede boeven. Wij gaven wat wij in die trant bezaten. Hij bracht alles naar de prior van het klooster, die men hier proost noemt (4). Een minuut later was hij al terug. Het gezicht van de hofmeester van dit paleis was opgeklaard: Alles is in orde, heren, zei hij ons; verlangt u enige verfrissing? Wij hadden er geen behoefte aan. “Dan kunt u wat rondwandelen of hier uitrusten, in afwachting van het souper”.

Wij verdeelden de rest van de avond tussen de beide delen van deze raad. Wij hadden graag de completen bijgewoond, en toen het tijd was gingen wij naar de kerk. Het schip van de kerk leek mij harmonieus van lijnen, de versiering was rijk, niet overvloedig maar met goede smaak aangebracht (5). De zang van de monniken klonk ernstig, ingetogen: het geheel streelde aangenaam onze oren terwijl de vrome stembuigingen ons recht naar het hart gingen (6).

Het sloeg zeven uur, en wij keerden terug naar de zaal voor het souper. Twee huisknechten (7) dienden op in stilte; “wat verlangt u” was er ook en praatte met ons, maar evenals zijn ondergeschikten: rechtstaande. Hij bood zijn verontschuldigingen aan voor het minder goed eten: wij waren aangekomen op een donderdagavond, op een moment dat hij geen gasten meer verwachtte; de volgende dagen zou het menu zeker beter zijn (men kan drie dagen blijven logeren). Wij verklaarden dat wij van zins waren de volgende ochtend reeds te vertrekken… ‘~ “De heren zullen het ontbijt in deze zaal klaar vinden”. Zouden wij Zeereerwaarde Heer Proost eens mogen gaan begroeten ? ” – “Dit is de gewoonte niet”.

Het “minder goed maal” van donderdagavond bestond uit drie goed bereide vleesgerechten, een gerecht groenten, drie soorten dessert en een fles geurige oude wijn, zoals men er aan de beste tafels maar zelden drinkt. Hoeveel welgestelde mensen zouden altijd tevreden zijn met de “minder goede kost” van de abdij Affligem! De bijkomstigheden van het souper beantwoordden volkomen aan de hoofdzaak: mooi tafellinnen, fijn zilverwerk, porseleinen servies, enz. Na het avondmaal werden wij naar onze cellen gebracht, en met cellen bedoel ik twee prettige en zeer goed gemeubileerde kamers, waarin niets ontbrak van wat men zijn vrienden aanbiedt in de best voorziene door vrouwen bediende buitenverblijven.

De volgende dag, heel vroeg in de morgen, woonden wij de mis bij en gingen dan naar de eetzaal. Het ontbijt stond opgediend maar er was niemand te zien. Na het eten, nog steeds niemand! Wij zochten wat rond: geen mens te vinden. Wij zagen ons dan ook genoodzaakt te vertrekken insalutato hospite, zonder een woordje van afscheid of dank. Monniken hebben wij gedurende ons verblijf alleen maar in de kerk gezien.

 

 1) Van aan de steenweg bereikte men de abdij langs een viervoudige beukendreef. geplant circa 1628. Het eerste poortgebouw, ook voorpoort genoemd. werd vernieuwd in 1726. Een eind verder gaf de tweede poort, of koninklijke poort. toegang tot het grote binnenplein met de kerk en de voornaamste gebouwen. Drongen de bezoekers door tot het tweede binnenhof, achter de nog bestaande St-Benedictuspoort? Waarschijnlijk kwamen zij terecht in het gastenkwartier, en wellicht in het huidige Bisschoppenhuis, dat vernieuwd en uitgebreid werd in 1720.
2) Met de grote boomgaard inbegrepen, besloeg de oppervlakte omgeven door muren en grachten, ongeveer 19 ha.
3) Waarschijnlijk was dit de meesterknecht Jacobus Clauwaert, die in functie was sinds 13 mci 1768 en overleed in 1805. De abdij had een twintigtal knechten in dienst, waarover hij het gezag voerde (B. Regaus, Direct. Abbat. Haffl., p. 190).
4) Dom Beda Regaus, 21e en Iaatste proost van Affligem. Hij werd te Brussel geboren in 1718 en op 15 sept. 1763 tot proost gekozen. Hij bestuurde 45 jaar en overleed op 11 april 1808 te Hekelgem op de hoeve van griffier De Witte, waar hij na de uitdrijving een onderkomen had gevonden. Zijn indrukwekkend geschiedkundig werk, Haffligemum Illustratum kenmerkt hem als een van de grootste prelaten, die Affligem gekend heeft.
5) Sinds 1765 was gans het interieur van de oude abdijkerk in neo-klassieke stijl omgebouwd door de beroemde architect Laurent Dewez.
6) Gans het officie werd nog gezongen, niettegenstaande bet gering aantal monniken. De koorboeken die men toen gebruikte, worden nog steeds bewaard in de bibliotheek van Affligem.
7) Eén van hen was waarschijnlijk Bernard Roddaert, die op 4 februari van ziekenverpleger gastenknecht werd.
 
Zie ook: