De genealogie van de familienaam Clauwaert door de eeuwen tot op vandaag

In “de Mariagroet uit Affligem”, jaargang n° 21, 1948, nummer 6, blz 108 en 109 vinden we volgend artikel terug. Het is het verslag van een ongeval waarvan J.B. Clauwaert, ° 4-10-1736, ongehuwde zoon van Petrus Josephus en Joanna Bastien, kleinzoon van Peter Clauwaert de vierde, het slachtoffer was.

 jb
Een droevig ongeval met nasleep van verwikkelingen (Uit het jaar 1781 naar de oude boeken van de Abdij Affligem)

Op 28 April 1781 was de vrachtrijder van de abdij, Jan Baptist Clauwaert, op last van de pater econoom in Aalst kalk gaan kopen, Hij was reeds op de terugweg in het licht van de abdij gekomen, toen hij op de Bouchhoutberg, vlak bij zijn ouderlijk huis, iets van de Wagen willende grijpen, er af viel en er onder terecht kwam wel zo dat zijn buik verpletterd werd door het achterwiel van het voertuig. Door toeschouwers werd hij naar zijn ouderlijk huis overgebracht. Het was zo erg met hem gesteld, dat een priester moest ontboden worden. De pastoor van Hekelgem was afwezig, maar de onderpastoor was spoedig ter plaatse om de ongelukkige de Laatste Heilige Sakramenten toe te dienen. Nog dezelfde nacht overleed hij.

Toen de Heer onderpastoor dit laatste ’s morgens vernomen had, verbood hij aan de familie van de overledene het lijk naar de abdij te brengen, waar hij tijdens zijn !even in dienst gestaan had. Terwijl men bezig was geweest het lijk op de wagen te plaatsen, was er ook een ambtenaar van de openbare veiligheid uit Assche (“een officier”, meldt het Oude geschrift) voorbij gekomen, die van het geval een proces-verbaal opstelde en zich ook tegen eventueel vervoer wilde verzetten..

Intussen was ook de Hoogwaarde Heer Prelaat van de abdij, de Proost Dom Beda Regaus, op de hoogte gebracht van het voorval en van het verbod, dat de onderpastoor uitgevaardigd had. Hij zond derhalve een notaris naar de pastorie van Hekelgem, die bij de onderpastoor protesteerde en op de gevolgen wees, die het verbod, indien hij het van plan was te handhaven, zou kunnen hebben. De onderpastoor – die blijkbaar niet op de hoogte van de plaatselijke toetanden en geen beslissing kunnende nemen bij afwezigheid van de pastoor – liet daarom het lijk vrij, dat nu naar de abdij werd overgebracht.

Om zich echter aangaande de rechten van de abdij nauwkeurig te laten inlichten, begaf de onderpastoor zich naar de pastor van Meldert en toen hij overtuigd was van het goed recht van de prelaat van de abdij, kwam hij bij deze zijn excuus aanbieden. Hij wees er tegenover de Prelaat op, dat hij in afwezigheid van zijn pastoor geen beslissing had willen nemen en dat hij het verbod slechts zolang van plan was geweest te handhaven, tot hij raad van competente confraters had kunnen inwinnen. Nu echter had hij zekerheid en erkende het voorbarige van zijn handelwijze.

Om dit afles goed te verstaan, moeten we er eerst op wijzen, dat de abdij Affligem in de laatste eeuwen van haar bestaan voor de Franse Revolulie kerkelijk noch tot de parochie Hekelgem noch tot Meldert behoorde, doch op zichzelf als het ware een eigen parochie vormde, waarvan het dienstpersoneel de parochianen waren. Maar er is nog meer. Krachtens een oorkonde van 1121 van Hertog Godfried I (bijgenaamd “met de baard” een grote weldoener der abdij, en die in de oude abdijkerk begraven was) waren allen, die in regelmatige dienst stonden van het klooster, volledig onderworpen aan de rechtsmacht en het gezag van de Prelaat. Dus niet enkel die dienstknechten, welke in het klooster of op de afhankelijkheden op het kloostergebied inwoonden, he “gezin” van de abdij, die ook nu nog volgens het huidige kerkelijke recht onder de jurisdictie van de abt zouden vallen, maar ook die welke in voortdurende dienst ervan stonden. Wanneer zij dus en daad stellen moesten, waarbij het kerkelijk gezag moest tussen beiden komen, was het niet de pastoor van Hekelgem of die van Meldert maar de Prelaat der abdij, die tegenover hen het gezag vertegenwoordigde. Zo b.v. bij het huwelijk van een lid van het dienstpersoneel; bij dispensatie van de vastenwet. En in die tijd, dat eenieder zijn Paascommunie nog moest vervullen in zijn eigen parochiekerk, moesten de knechten van de abdij zich van deze plicht kwijten in de kloosterkerk. Vandaar ook dat, zoals in bovenvermeld geval, de Prelaat der abdij zich het recht voorbehield van de uitvaart van al zijn overledene ondergeschikten, hetzij deze binnen het kIoostergebied of er buiten woonden.

Maar met het excuus van de onderpastoor waren de verwikkelingen nog niet afgelopen. Het wilde nu dat op de middag van dezelfde dag, 29 april, de drossaard van Assche, een bezoek aflegde bij de Hoogwaarde Heer Prelaat. Dit was niet toevallig, maar daar hij ook meier van de abdij was, was hij gekomen om de Proost ” een zalig Pasen” te wensen. Het geschiedde nu, dat rond drie uur ook de ambtenaar binnetrad, die het procesverbaal opgemaakt had bij het huis van de overledene. Toen deed de drossaard, als wereldlijk gezagdrager van het gebied Assche, waaronder Hekelgem, zijn beklag en wees er op, dat op zijn gebied, waar het ongeval was geschied, een lijkschouwing had moeten plaats hebben. Zo de Heer Proost geen straffen wilde oplopen zou deze lijkschouwing nog moeten gebeuren. De Prelaat pleegde daarop enig overleg en beval dan dat het lijk vervoerd zou worden buiten het kloostergebied voor de lijkschouwing, zodat de drosschaart geen daad van rechtsmacht op het gebied van de abdij zou kunnen stellen. Na de lijkschouwing werd het weer teruggebracht naar de abdij waar het tenslotte zijn begrafenis ontving. 

Zie ook: